MERIDONLEZING 2007
50 jaar Institut Néerlandais
Een kroonjuweel van de Nederlandse cultuur in Parijs
door Rudi Wester
MERIDONLEZING 2007
Dames en heren, vrienden van Frankrijk en van het Institut Néerlandais,
De ondertitel van mijn lezing, Een kroonjuweel van de Nederlandse cultuur in Parijs, klinkt behoorlijk aanmatigend, ik geef het toe, maar de trots op wat alle medewerkers van het Institut Néerlandais in dit jaar 2007 aan culturele evenementen in heel Frankrijk tot stand hebben gebracht ómdat het IN 50 jaar bestaat, is groot, dus vergeeft u mij deze aanmatiging svp. Ruim 50 tentoonstellingen oude en hedendaagse kunst, dans- en theatervoorstellingen, concerten, een filmweek in het Centre Pompidou met ruim 70 Nederlandse animatiefilms onder de titel L’autre pays de l’animation, een grote literaire avond met vier Nederlandse en vier Franse auteurs in de Opéra de Bastille, het eerste Grand Dictée de Néerlandais voor Franstaligen, voorgelezen op het IN door Philip Freriks (dat overigens gewonnen werd door een Franse vertaler), het eerste Frans-Nederlandse componistenconcours waar van de drie genomineerden de stukken werden uitgevoerd door het Doelenensemble, enzovoorts, enzovoorts : je wordt er al moe van als je eraan denkt. Dat zijn we dan ook, wij van het IN: moe, maar tevreden. Want het was wél HM de Koningin die op 11 januari 2007 het feestjaar opende op het Institut Néerlandais, met de zesde en laatste grote Rembrandt-tentoonstelling in 2006/2007, Rembrandt…bouquet final. En zij vond het buitengewoon leuk – zoals u eventueel op het NOS-journaal van 20h van die dag hebt kunnen zien- om met vier Fransen te praten die heel ijverig Nederlands leren in het talencentrum van het IN. Het ging moeizaam, maar het ging. Want o, wat is het moeilijk voor Fransen om Nederlands te leren. Maar als zij zich daarover beklagen bij mij, dan riposteer ik altijd met de opmerking dat het voor Nederlanders ook héél moeilijk is om Frans te leren, net zo moeilijk eigenlijk. Dan zijn ze weer even stil.
Vijftig jaar Institut Néerlandais, dat is al heel lang. Het is zelfs een van de oudste buitenlandse culturele centra van Parijs. Op dit moment zijn het er 38, van Armenië tot Japan, van Tsjechië tot China. Alleen Amerika heeft geen cultureel centrum in Parijs, maar we gaan geen grappen maken over Amerikaanse cultuur.
Straks zal ik u uitgebreid vertellen over de interessante geschiedenis van dit eerbiedwaardige instituut, maar allereerst dit:
“ Muziek klatert over de cour van het Institut Néerlandais. Een stoet met instrumenten bepakte musici, vanochtend door de Thalys uitgespuwd op het Gare du Nord, heeft zijn weg naar de rue de Lille gevonden. Overal in het gebouw wordt nu gestemd, ingezongen, losgeblazen. Door de openstaande ramen waaien flarden van klanken naar buiten, over de hoofden van het personeel dat op de binnenplaats bezig is een paar tafels met wit linnen te bedekken. Voor na afloop van het concert, als hier het verre d’ amitié zal worden geschonken.
Een net gearriveerde musicus, het zweet al op zijn voorhoofd, fluistert in het voorbijgaan dat hij vanavond ten overstaan van het publiek een déclaration d’amour wil zingen voor een medewerkster van het instituut.
De sfeer is niet gespannen, wel geladen. De medewerkers van het instituut leggen een on-Hollandse precisie aan de dag in het laatste uur voordat de deuren opengaan. Van wie is die fiets op de cour, nee, dat is geen Hollands element, dat is gewoon rommelig. Zorgelijke blikken richting hemel, waar wolken zich samenpakken. Onder de aanhang van het orkest blijkt zich een meteoroloog van het KNMI te bevinden. Hij doet ter plekke de voorspelling dat het droog zal zijn op het uur dat de kurken moeten knallen.
Dan gaan de deuren open en komt het publiek binnen. Uitverkochte zaal, geroezemoes, Nederlands, maar Frans voert de boventoon. Schuifelend over het gelakte parket zoekt iedereen een plaatsje. Een Frans echtpaar komt naast een Nederlandse heer te zitten. Glimlachjes, knikjes, zoals beschaafd publiek dat pleegt te doen in deze minuten. Een praatje ontstaat, het kan nog net voordat het concert begint. Nu ze hier zijn, vinden de Fransen het leuk om een echte Nederlander te ontmoeten. Ze complimenteren hem met zijn Frans. Mais non, antwoordt hij. Volgt een klein Parijs badmintonspel van beleefdheden. Dan heeft het echtpaar, met en half oog op het podium, nog snel een echte vraag, als Monsieur hun toestaat. Je vous en prie, zegt hij in zijn beste Frans. De vraag luidt : voor wie is het Institut Néerlandais nu eigenlijk bedoeld , voor de Fransen of voor de Nederlanders in Frankrijk? De Nederlander haalt diep adem. Maar voordat hij aan een antwoord kan beginnen, komen de musici op en valt het geroezemoes stil.
Om op die vraag een goed antwoord te kunnen geven, bedenkt hij tijdens de eerste klanken, is zijn Frans niet goed genoeg. Met een oogopslag en handgebaren zou hij wel duidelijk hebben kunnen maken dat het een vraag is die zich gemakkelijker laat stellen dan beantwoorden. En statuten, dat zal in het Frans wel gewoon statuts zijn. Hij weet namelijk dat volgens de statuten het Institut Néerlandais zich op beiden richt, de Fransen én de Nederlanders in Frankrijk. Maar die statuten zijn minstens een halve eeuw oud, en in de praktijk van tegenwoordig richt het IN zich volgens hem vooral op de Fransen. Neem het muziekprogramma: Nederlanders op het podium, Fransen in de zaal, dat is de bedoeling. Ja, zo had hij het wel kunnen uitleggen. Les Néerlandais sur scène, et vous dans la salle. Maar voor de debatavonden gaat het niet op, dan is er geen scène maar een table, zouden ze dat begrijpen, table ronde ? En als ze hem dan zouden vragen waarom er dan toch zoveel Nederlanders in het publiek waren? Enfin, dan zou hij op zijn Frans zijn ogen en handen moeten gebruiken.
Hij luistert naar de muziek en tegelijk luistert hij niet. Dat gebeurt hem altijd hier. Telkens als hij een vernissage, een debatavond of een soirée musicale op het Institut Néerlandais bezoekt, kijkt hij onwillekeurig behalve naar het programma naar het instituut zelf. Hij komt naar de statige straat in het zevende arrondissement vanuit een nieuwsgierigheid die verschilt van die van de andere bezoekers.
De mensen om hem heen luisteren aandachtig of bewonderen tentoongestelde werken, maar hij komt daar nauwelijks aan toe. Hij laat zich afleiden door een gesprek tussen een medewerker van het instituut en een Franse cultuurambtenaar dat zich binnen zijn gehoorafstand ontspint. Bij een andere gelegenheid wordt een speciaal voor die avond gemaakte vertaling van een modern Nederlands gedicht voorgelezen, maar hij bestudeert het publiek, hoofd voor hoofd. Telkens raakt hij gefascineerd door de stoet namen en gezichten die hier voorbij trekt. Elke bezoeker en elke kunstenaar laat hier iets achter. Vanavond is het deze muziek en, inderdaad, een déclaration d’ amour. “ Je moet het wel weten te brengen”, fluistert de man naast hem. “ Ah oui, chéri, en je moet het weten te incasseren ook”, antwoordt zijn vrouw, met een blik op de ontroerd sniffende medewerkster aan de andere kant van de zaal”.
Deze mooie beschrijving van het Institut Néerlandais, die precies de sfeer van dit wonderlijke gebouw, van zijn bezoekers en zijn medewerkers weergeeft, is de prelude die Pieter van den Blink schreef over de geschiedenis van het vijftigjarig Institut Néerlandais, 121 rue de Lille. Nederland aan de Seine. U kunt het na afloop van deze lezing kopen en laten signeren, want Pieter van den Blink, adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland, is hier in de zaal aanwezig.
Vijftig jaar alweer, maar toch springlevend, want het IN groeit en bloeit als nooit tevoren. In 2006 hadden we het (voorlopige) recordaantal van ruim 51.000 bezoekers voor de tentoonstellingen oude kunst, in casu zes Rembrandt-tentoonstellingen in het Rembrandtjaar 2006, voor de tentoonstellingen moderne, contemporaine en toegepaste kunst als design en grafische vormgeving, voor de concerten, zowel klassiek als jazz en tango, voor de film- en literaire avonden en voor de debatten over actuele onderwerpen: een weids panorama aan wat de Nederlandse kunst en cultuur aan schoons te bieden heeft aan het Franse publiek.
Het Institut Néerlandais mag dan ook met recht, volgens mij, een kroonjuweel van de Nederlandse cultuur in het buitenland, in dit geval : Frankrijk, worden genoemd.
En om nog even door te gaan met de bloei van een ander belangrijk element van het IN, namelijk de lessen Nederlands die er worden gegeven, : toen ik in september 2003 aantrad als directeur waren er 500 Franse leerlingen, van vier tot tachtig jaar, aan wie het o zo moeilijke Nederlands werd geleerd. Nu, in december 2007, zijn het er ruim 700. De aanwas wordt vooral ook veroorzaakt door twee grote Franse ondernemingen waarvan het kaderpersoneel, zoals dat zo mooi heet in Frankrijk, een basis-Nederlands moet leren en cours de civilisation néerlandaise moet volgen: Air France en Transdev, een Frans transportbedrijf dat onlangs gefuseerd is met het Nederlandse Connexxion. Beide bedrijven symboliseren een nieuw fenomeen in de belangstelling voor het Nederlands. Was het vroeger vooral de liefde – een Fransman die met een Nederlandse trouwde of omgekeerd, en van wie ook de kindertjes Nederlands moesten leren om met opa en oma in Nederland te kunnen spreken-, nu zijn vaak economische motieven de belangrijkste drijfveer. Zoals u ongetwijfeld weet, floreert de Franse economie niet bijzonder goed, om maar een understatement te gebruiken, en zeker niet na de stakingen van afgelopen weken. Dus als je de beheersing van de Nederlandse taal op je CV kunt zetten, dan is dat zeker een atout, een troef, om óf in Nederland en Vlaanderen werk te vinden waar de economie het bijzonder goed doet, al denkt u misschien van niet, óf om bij Franse ondernemingen van Nederlandse afkomst of met een Nederlandse link, lien, zoals Air France en Transdev, te kunnen werken.
En om, voordat ik u de boeiende geschiedenis van het 50-jarig instituut met zijn ups and downs vertel- zoals opgeschreven in het spannende jongensboek van Pieter van den Blink over het Institut - , nog even verder te gaan met het welvaren van het IN hedentendage: dat heeft ook te maken met het hoge niveau van de Nederlandse kunst. U hoort het goed: Het Hoge Niveau van de Nederlandse Kunst! Het is dat Rita Verdonk het woord ‘ trots’ al voor mijn neus heeft weggekaapt, want anders zou ik zeggen: we kunnen trots zijn op de Nederlandse kunst. U moet vooral niet de stukken in de krant van cultuurdragers of cultuurverspreiders geloven dat Nederlandse kunst niet op internationaal niveau zou zijn, dat de middelmaat overheerst, dat we maar een klein kikkerlandje zijn waar je vooral niet boven het maaiveld moet uitsteken. Ik zeg u bij dezen dat er een nieuwe Gouden Eeuw is aangebroken voor de Nederlandse kunst. Op het gebied van de literatuur kunnen mensen over de hele wereld Hella Haasse, Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Arnon Grunberg, Abdelkader Benali, Anna Enquist en Geert Mak lezen, om maar een paar te noemen. Op het gebied van design zijn Hella Jongerius, Marcel Wanders, Piet Hein Eek en de hele Design Academy Eindhoven wereldberoemd. Voor architectuur hoef ik alleen maar Rem Koolhaas te noemen, en dan weet u wat ik bedoel. Nederland staat internationaal bekend om zijn grote hoeveelheid kwalitatief goede muziekensembles oude muziek, maar jazzfenomenen als Han Reiziger en Theo Loevendie zijn ook in het buitenland bekende namen. De Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra had in 2005 een grote solo-tentoonstelling in het tot fotografiemuseum verbouwde Jeu de Paume, en de tentoonstelling van Desiree Dolron in het Institut Néerlandais eind 2006, trok het recordaantal bezoekers van 600 per dag. Zelfs werd ik opgebeld door de agente van Charlotte Rampling of ik haar een privé –rondleiding wilde geven in het IN op de tentoonstelling van Desiree Dolron. Graag gedaan uiteraard, zo vaak kom je Charlotte Rampling nu ook weer niet tegen in het dagelijks leven buiten het filmdoek. Op het gebied van contemporaine beeldende kunst is Marlene Dumas wereldberoemd – op de laatste Biënnale in Venetië was door een buitenlandse curator een hele zaal aan haar werk gewijd-, en doet u nu niet zo flauw-Nederlands door te zeggen dat zij Zuidafrikaanse is, want dat is zij alleen van afkomst. Ze woont en werkt al jarenlang in Nederland. En is de grote filmregisseur Paul Verhoeven ook niet teruggekeerd naar zijn oude vaderland? Nee, het kunstklimaat in Nederland is zo slecht nog niet, maar Nederlanders houden gewoon erg van klagen en zuchten en steunen, over welk klimaat dan ook. Verwend volkje!
Wie zeker niet verwend was noch klaagde en zuchtte en steunde, was de Nederlandse collectionneur Frits Lugt. Op zijn zestiende begon hij al te verzamelen en kocht hij zijn eerste tekening van Rembrandt, van wie hij als het ware bezeten was. Geld had hij niet, maar wel veel goede smaak en een neus voor wat later belangrijk zou worden. Zo bouwde hij langzaam maar zeker een unieke collectie op van, vooral, tekeningen van Hollandse en Vlaamse meesters uit de 16-de en 17-de eeuw, maar ook van Russische, Deense en Italiaanse kunst. En hij verzamelde brieven van kunstenaars aan bijvoorbeeld hun galeriehouders of aan vrienden. Van de zeven brieven van Rembrandt die bewaard zijn gebleven, bezat hij er twee. Het was deze Frits Lugt, die in Amsterdam al het Maison Descartes had bewonderd dat zich in 1933 op het Museumplein bevond, die mét zijn hele collectie in 1947 naar Parijs verhuisde en toen al dacht: ik wil een Nederlandse pendant van het Maison Descartes in Parijs. In 1953 zag hij zijn kans schoon: hij kocht twee hôtels particuliers in 121 rue de Lille – hij woonde zelf vlakbij, op het Place Bourbon- en bracht in het ene, hôtel Turgot, een statig herenhuis uit de 18-de eeuw op de cour, zijn unieke collectie onder in een stichting, de Stichting Custodia.
In het andere hôtel woonden nog een graaf en zijn familie, maar toen deze vertrokken waren bracht hij zijn plan tot uitvoering: het oprichten, samen met de Nederlandse staat, van het Institut Néerlandais. Dat had nog heel wat voeten in aarde, want Frits Lugt was een kordaat man en een ondernemende geest, en ook toen al was de Nederlandse staat niet een van de snelsten bij dit soort beslissingen. Maar op 20 juli 1956 ondertekenden Frits Lugt namens de Fondation Custodia en baron De Vos van Steenwijk namens de Nederlandse staat, onder het toeziend oog van een notaris, de oprichtingsacte van het Institut Néerlandais. Uiteraard was de eerste tentoonstelling in het IN gewijd aan tekeningen van Rembrandt uit de collectie-Lugt, en deze werd plechtig geopend op 11 januari 1957 door Prins Bernhard en de toenmalige Franse president René Coty.
Het Institut Néerlandais was geboren, met een eresaluut aan Frits Lugt zonder wie het IN nooit het levenslicht had aanschouwd.
Ik zal u de héle geschiedenis van 50 jaar IN besparen, maar natuurlijk wel enige hoogte- en dieptepunten eruit lichten en, zo mogelijk, verweven met de huidige activiteiten en cultuurpolitiek van het Institut Néerlandais.
Allereerst hét hoogtepunt, namelijk de eerste directeur van het IN, de fameuze dichter/journalist/bon vivant Sadi de Gorter, die 20 jaar directeur zou blijven en die ook in die tijd al een dubbelfunctie had als directeur – zoals ik nu nog heb-, namelijk tevens ambassaderaad voor culturele zaken aan de Nederlandse ambassade in Parijs. Hij pakte het jonge instituutje, dat in het begin alleen tentoonstellingen oude kunst uit de collectie-Lugt organiseerde, stevig bij zijn nekvel om het groter te laten groeien en legde zo een uitstekende basis voor het nu geheel volwassen geworden Institut Néerlandais. Dat ging uiteraard met vallen en opstaan, uitproberen, risico’s nemen en zeperds halen. De tweede tentoonstelling was namelijk gewijd aan Breitner, toch geen kleine naam in Nederland. Maar in Frankrijk had nog nooit iemand van hem gehoord en, zoals nu nog steeds het geval is, : wat de Franse boer niet kent, dat vreet hij niet. Er kwam niemand naar Breitner kijken, een regelrechte flop.
Op basis van, onder andere, die ervaring hanteert het IN nog steeds regelmatig – om dat vreselijke woord maar te gebruiken- een sandwichformule: onbekende Nederlandse kunstenaars inbedden of vergezeld doen gaan door de Fransen wél bekende namen. Zo heeft in 2004 het IN een tentoonstelling van tekeningen van Hollandse meesters uit de 17-de eeuw op de eerste verdieping, gecombineerd men een tentoonstelling van twintig jonge Nederlandse tekenaars uit de 21ste eeuw in de sous-sol. Een ander geslaagd voorbeeld van deze politiek is Cadres revisités in 2005: oude lijsten uit de 16- de en 17-de eeuw uit de collectie-Lugt werden gecombineerd, door de curator Willem van Zoetendaal, met hedendaagse portretfotografie van o.a. Bertien van Manen en Rineke Dijkstra. De Fransen vonden het héél gewaagd, maar kwamen wel in grote getale kijken, vooral omdat één van de foto’s van Kate Moss was, die in die tijd met haar roerige leven voorpaginanieuws was.
Aan het eind van zijn 20-jarige ‘regering’ van het IN, werd de praktisch ingestelde Sadi de Gorter, een eigenschap die geknipt was voor het opzetten van een volwaardig cultureel centrum met tentoonstellingen oude en contemporaine kunst, met concerten en literaire avonden, plots filosofisch. In een artikel in het nog steeds uitstekende blad over Nederlandse en Vlaamse cultuur aan de Fransen verklaard, Septentrion, formuleerde hij drie pijlers voor het beleid van het instituut, pijlers die ik precies zo geschreven zou kunnen hebben en die ik in elk geval nog steeds onderschrijf. Ten eerste moest, volgens Sadi de Gorter, « het gebodene kwaliteit hebben ». Over kwaliteit kun je jaren twisten en hele volksstammen ermee tegen je in het harnas jagen, maar zowel Sadi de Gorter als mijn medewerkers en ik weten gelukkig kwaliteit te herkennen als je die tegen komt. Al was het maar de kwaliteit van het verrassende.
Ten tweede, zo poneerde Sadi de Gorter, “ moet voor elke activiteit het juiste publiek worden gezocht”. Wat hij in zijn tijd op veelkleurige kaartjes noteerde – en ik moet eerlijk bekennen dat ik, toen ik in september 2003 als directeur aantrad, nog steeds het kaartjessysteem aantrof-, dat heeft het IN nu keurig in een datasysteem ondergebracht: 2500 Fransen worden uitgenodigd voor tentoonstellingen oude of moderne en contemporaine kunst; 1200 Fransen voor de Nederlandse film, 800 voor de literaire avonden en 5000 krijgen de halfjaarlijkse brochure met de activiteiten van het Institut Néerlandais. De computer is natuurlijk dé uitvinding van de eeuw, zeker voor het gericht uitnodigen van publiek of het sturen van herinneringsmails met één druk op de knop
De derde pijler van het beleid voor het IN die Sadi de Gorter formuleerde, was:” Het programma moet een vaste regelmaat hebben zonder stilte”. Ook dit was weer precies mijn beleid toen het instituut grondig verbouwd en opgeknapt zou worden, van zomer 2005 tot en met december 2006: we werkten door en organiseerden lezingen en concerten bij onze trouwe buren , de Stichting Custodia, of op andere podia in de omgeving van 121 rue de Lille. Soms konden we de ander niet aan de telefoon verstaan door het geboor en gebeitel, soms vloog het gesteente om onze oren als we de trap namen omdat de lift eruit moest – o, die mooie, karakteristieke oude lift met zijn knarsende schuifdeuren. Maar ja, hij moest wijken voor de nieuwe Franse wet die gebiedt dat openbare gebouwen geschikt moeten zijn voor gehandicapten, en een rolstoel paste toch écht niet in de oude lift- , maar we hielden vol. Geen fermé pour travaux, maar: ouvert au public. Sadi de Gorter had goed gezien hoe kort het geheugen van de Fransen is, vanwege het overweldigende aanbod aan cultuur dat er nu eenmaal in Parijs is: één keertje hun hoofd gestoten bij het IN, en zoefff, daar gaan de Fransen naar de buren, het Canadees of Oostenrijks cultureel centrum. Of naar de British Council waar ze zo fijn Engels kunnen leren. Ook belangrijk natuurlijk, maar niet zo belangrijk als het leren van het Nederlands!
Het was ook Sadi de Gorter die in 1962 het lumineuze idee had een Société des Amis de l’ Institut Néerlandais (SAIN) op te richten. Al snel meldden zich talloze vrienden aan, zelfs vrienden voor het leven, wat betekende dat zij een eenmalig bedrag schonken van, ik meen, 1000 francs, waarvoor zij bepaalde voordelen of kortingen op catalogi en entree kregen. Als eerste tastbare resultaat van deze formule kon in 1969 al een nieuwe Steinway-vleugel worden aangeschaft, voorwaar een vorstelijk bezit voor het IN. Hij staat er nog steeds en er zijn vele concerten, onder andere door Daniel Wayenberg, op gespeeld.
Wel bleek het systeem, toen ik aantrad, enigszins in de mottenballen geraakt en of die ‘leden voor het leven’ ook nog wel in leven waren, dàt was niet helemaal duidelijk. Dus de SAIN maar eens afgestoft en opgeschud, en nieuwe categorieën bedacht, zoals ‘ copain (tot 26 jaar)’ à 15 euro per jaar, ‘Ami’ voor 25 euro, ‘Cher Ami’ voor 60 euro en ‘Très cher Ami’ voor 250 euro en hoger. En kijk : het werkte, de amis stromen weer toe. Er is zelfs in Nederland een Stichting Vrienden van het Institut Néerlandais. En dankzij de financiële steun van beide Vriendenstichtingen, kon het Institut Néerlandais het jubileumboek door Pieter van den Blink laten schrijven én een plaquette, een mooie brochure in het Frans over het Institut Néerlandais- met prachtige foto’s van Ilse Leenders- laten verschijnen, waarvoor het IN hen nog steeds zeer dankbaar is. Dàt zijn geen faux amis !
Het was tussen twee directeuren in – tussen de derde directeur van het IN, George Strasser, voormalig ambtenaar bij het ministerie van wat toen nog Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen heette, en de vierde directeur, de beroepsdiplomaat Ed Craanen- dat het annus horribilis voor het Institut Néerlandais losbarstte: 1989. Zoals altijd, was het een ongelukkige samenloop van omstandigheden: even geen directeur, een onzalig besluit van de Stichting Custodia om opeens een forse huurverhoging aan de staat te vragen voor het pand van het IN, én premier Lubbers die een nachtje slecht had geslapen en alle Nederlandse instituten in het buitenland, financieel ondersteund door Buitenlandse Zaken – en dat waren er toen heel veel : in Florence, in Parijs, in Jakarta, in Istanboel, in Cairo, noem maar op- plots veel te duur vond.
Binnen no time lag er een brief op de mat bij de Stichting Custodia dat “ de huurovereenkomst met Custodia voor het IN met ingang van 1 juli 1990 beëindigd zou worden”. Ondertekend door Bernard Bot, toenmalig secretaris-generaal bij Buitenlandse Zaken en de latere minister van BZ.
Paniek bij het Institut Néerlandais uiteraard.
En het is dankzij de rol van Elisabeth van Boetzelaer, die nog steeds werkt bij het IN, en van de toenmalige adjunct-directrice Annelys Meijer, dat het tij werd gekeerd : zij organiseerden grote lijsten met steunbetuigingen voor het behoud van het IN, met klinkende Franse namen als de componisten Pierre Boulez en Yannis Xenakis, de uitgever Claude Gallimard, de historicus Emmanuel Le Roy Ladurie en de filosofe Elisabeth Badinter. En van grote Nederlanders als Hella Haasse, Lucebert, Frans Brüggen, Wim Crouwel en zelfs W.F, Hermans. Ik zeg: zelfs Willem Frederik Hermans, want dat was niet zo’n steunbetuiger van wat dan ook en al helemaal niet van een bolwerk van de Nederlandse cultuur, ook al woonde hij in die tijd in Parijs. Voor de NCRV-radio verklaarde hij :”Zo’n ondertekening is voor mijn doen uitzonderlijk. Want je hebt mensen die ieder week een of andere petitie ondertekenen voor de vrijlating van die of juist de gevangenneming van dat, dat doe ik dus nooit, maar in dit geval heb ik het gedaan. Want dit is natuurlijk al te gek. Alle landen hebben hier culturele instituten. Of dat nu veel uithaalt voor de verbreiding van de cultuur, dat weet ik niet, maar dat betekent niet dat Nederland moet denken dat je het zomaar kunt opheffen! De Zweden hebben hier ook een prachtig instituut, daar wonen twee keer minder mensen dan in Nederland. Dus waarom de Zweden wel en wij niet?!”.
Zelfs de reacties in de Franse en Nederlandse pers waren fel en hartverwarmend, evenals de steun in de Tweede Kamer. Het gezaghebbend blad Connaissance des Arts wijdde – en ik citeer hier weer uit het boek van Pieter van den Blink- een hoofdredactioneel commentaar aan ‘le miracle représenté par l’Institut Néerlandais’ : « Geen enkel land kan prat gaan op zo’n originele vertegenwoordiging in Parijs. Het brengt niet alleen de oude en de moderne cultuur van zijn land, maar heeft ook een sterke uitstraling van zichzelf”. In Nederland ging de discussie over het wel of niet opheffen van het IN over in een grotere discussie over het hele internationaal cultuur beleid, maar de teneur van de artikelen over het Institut is samen te vatten in de hartekreet van John Sillevis, toenmalig conservator moderne kunst van het Haags Gemeentemuseum:” Laten we onszelf in Parijs niet belachelijk maken”.
Wel, dat dat niet is gebeurd, kunt u constateren door het blote feit dat ik hier voor u sta als directeur van een vijftigjarig instituut. En wat voor eentje! Het Institut straalt in volle glorie met zijn talloze culturele activiteiten en zijn taalcentrum in zijn volledige gerestaureerde salons en lokalen. De oranjerood-geverfde grote toegangsdeuren nodigen alle Parijzenaars uit om dit magisch centrum te betreden, want het is feest daarbinnen. Het Nederlands cultureel seizoen Haut les Pays-Bas! is afgelopen, maar de tentoonstellingen, concerten, literaire – en filmavonden en debatten op hoog niveau gaan gewoon door, in volle sterkte. Veel Fransen weten nu dat er uitstekende Nederlandse kunstenaars zijn want na een optreden op het Institut, trekt de karavaan verder Frankrijk in. Veel Fransen weten nu dat Nederlandse cultuur bestààt, nu zij het zwart op wit in de Figaroscope van 10 januari jongstleden hebben kunnen lezen in de speciale bijlage die gewijd was aan kunst en cultuur in Nederland. En waar vooral erg grappig was dat bij elke kunstdiscipline er een hoofdje was” Ca n’existe qu’aux Pays-Bas”, dat bestaat alleen maar in Nederland. Wist u dat Nederland relatief een hogere dichtheid aan musea heeft dan Frankrijk ? Dat de Uitmarkt een typisch Nederlands fenomeen is, dat trouwens Frankrijk in 2009 in Parijs gaat kopiëren? Dat alleen maar in Nederland een Boekenweek bestaat, met een Boekenweekgeschenk in een oplage van 700.000 exemplaren? Zo leer je nog eens wat, en om te bewijzen dat ik niet jok heb ik een aantal exemplaren voor u meegenomen.
Genoeg gepreekt en aanmatigend gekakeld, straks begint weer de harde werkelijkheid voor het Institut: het wordt 51 jaar, wat minder leuk klinkt dan 50 jaar. En toch, en toch,: zo lang de Nederlandse taal en cultuur zo springlevend en van zo hoog niveau blijven, zal het feest doorgaan in het Institut. Samen met de andere buitenlandse culturele centra en de andere Franse en buitenlandse kunstenaars, symboliseert het Institut Néerlandais de door Fransen zo bepleite en de door Europa zo begeerde diversité culturelle. Het jaar 2008 zal het Jaar van de Interculturele Dialoog zijn. Nederland en zijn culturele kroonjuweel in Parijs, het Institut Néerlandais, zijn er klaar voor : que la fête ét le dialogue continuent !
Ik dank u.
De Méridonlezing beoogt aspecten van de culturele betrekkingen tussen Frankrijk en Nederland te belichten.
Rudi Wester studeerde Franse taal en literatuur aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en is sinds 2003 directeur van het Institut Néerlandais en tevens ambassaderaad voor culturele zaken aan de Nederlandse ambassade in Parijs. Voorheen schreef zij jarenlang over Franse en Angelsaksische literatuur in Vrij Nederland en Trouw en was zij directeur van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds. In 2004 verscheen van haar hand Beau Berry .Leven in het hart van Frankrijk (Uitg. Prometheus), Frankrijk (Prometheus) en Schrijvers in Frankrijk (Uitg. Contact).
In 2005 schreef zij, samen met Inez van Eijk, Honderd helden uit de Nederlandse en Vlaamse literatuur (Uitg. Prometheus). Ook stelde zij voor uitgeverij Contact achttien reisboeken samen met verhalen van Nederlandse en Vlaamse schrijvers. In 2000 werd zij benoemd tot Officier des Arts et des Lettres, in 2001 tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Centre Culturel Franco-Néerlandais Château de Méridon 78460 Chevreuse-Frankrijk
Tel. 00.33.1.30.52.15.29 E-mail: meridon@wanadoo.fr www.meridon.com
NFCC Méridon Secretariaat: Leutscherstraat 5, 2496 RD Den Haag
Tel. 070-3965433/mobiel 06-14767675 E-mail: cwm.smit@planet.nl